vrijdag 4 september 2015

Casanova 10: De school van het leven 10

De school van het leven: blz 279-320

Een eenvoudig uitziende man kwam op hen af, de pontifex vroeg wat hij verlangde, de man sprak op zachte toon tegen hem, en de paus zei, na hem aangehoord te hebben: "U hebt gelijk, wend u tot God om voorspraak." Hij gaf zijn zegen, de man vertrok bedroefd en de paus vervolgde zijn wandeling. "Deze man was niet ingenomen met het antwoord van Uwe Heiligheid," zei ik tegen de heilige vader."Waarom niet?" "Omdat hij waarschijnlijk al Gods voorspraak had gevraagd voor hij zich tot u wendde, en nu hij hoorde dat u hem naar God terugstuurde, voelde hij zich zoals het spreekwoord zegt van het kastje naar de muur gestuurd."

De tabak was goed, maar wat erbij hoorde nog beter. De snuifdoos was van geëmailleerd goud. Ik nam hem eerbiedig aan, ontroerd van dankbaarheid. Zijne Eminentie mocht dan niet de kunst van het verzen maken verstaan, hij verstond wel die van het geven, en dat is een talent dat een edelman veel meer siert dan het eerste.

Als enig antwoord keek zij mij minzaam aan. Dit was de eerste vrouw uit de hoogste kringen met wie ik te maken had. Ik kon maar niet wennen aan haar vervloekte neerbuigendheid, een houding die niets met liefde gemeen heeft. Ik besefte echter dat zij in aanwezigheid van haar kardinaal zich niet anders kon gedragen. Ik wist dat zij moest weten dat een hooghartige houding op den duur een ontmoedigende uitwerking heeft.

Ik sprak tegen pater Georgi zoals ik tegen Gama had gesproken en hij leek mij te geloven, maar zei mij dat men er in Rome niet van hield de dingen te zien zoals ze waren, maar zoals men vond dat ze moesten zijn.

Zijne Eminentie dineerde alleen met mij en legde zich erop toe mij te tonen hoezeer hij op mij was gesteld; van mijn kant legde ik mij erop toe grote tevredenheid uit te drukken, want mijn eigenliefde die sterker was dan mijn verdriet, stond mij niet toe de mensen die ons zagen enige reden te geven te denken dat ik uit de gratie was. De voornaamste reden voor mijn bedroefdheid was dat ik markiezin G. zou moeten achterlaten, op wie ik verliefd was en van wie ik nog niets van belang had verkregen.

Dit is het einde van mijn citaten uit het eerste deel van de memoires van Casanova. Wie de citaten gelezen heeft, begrijpt dat ik erg enthousiast ben over dit deel. Casanova heeft nog veel meer te vertellen en zijn memoires beslaan in totaal zo'n 12 delen en 4000 bladzijden. Ik ga nog wel een tijdje door met lezen, maar voorlopig stopt hier mijn blog, liefhebbers zullen hun weg naar Casanova wel weten te vinden. Gegroet, Erik

donderdag 3 september 2015

Casanova 9: De school van het leven 9

De school van het leven: blz 236-278

Er bestaan in het leven situaties waaraan ik mij nooit heb kunnen aanpassen. Hoe uitgelezen een gezelschap ook is, als één enkele aanwezige mij van top tot teen opneemt, raak ik van de wijs. Dan verlies ik mijn goede humeur en mijn gevatheid. Het is een zwakheid.

Daar stond ik dus in Rome, in het bezit van een goede garderobe, genoeg geld en welvoorzien van juwelen. Ik beschikte over behoorlijk veel ervaring, had enkele goede aanbevelingsbrieven, was volkomen vrij en bezat de leeftijd waarop een man op de hulp van het lot kan rekenen als hij over enige moed beschikt en een innemend uiterlijk. Ik was niet knap, maar ik had iets wat meer telt, al weet ik niet wat dat is.

In Rome was ik echter na een week al over een aantal verrassingen heen. Er is geen katholieke stad ter wereld waar mensen geloofszaken lichter opnemen dan Rome. De Romeinen zijn als de beambten van het tabaksmonopolie, die net zoveel gratis tabak mogen meenemen als zij willen.

"Denkt u eraan dat een onberispelijke staat van gedrag inspanning vergt," zei deze wijze man. "Houdt u eveneens voor dat elke onaangenaamheid die u overkomt door niemand gezien zal worden als een ongelukkig toeval of een onvermijdelijke tegenslag; die woorden zijn inhoudsloos; het zal geheel uw fout zijn."

Ik stelde inmiddels wel vast dat hij een suffe indruk maakte en niet de vlotheid bezat van een jonge man die op het punt stond met een erg leuk meisje te trouwen, want dat was Angelica. Hij was echter eerzaam en rijk, wat veel meer waard is dan vlotheid en ontwikkeling.

Ongelukkig zijn zij die menen dat het plezier van Venus enige waarde heeft, tenzij het van twee harten komt die elkaar liefhebben en volledig harmoniëren.

Omdat ik niet wist wat ik moest zeggen, gaf ik hem de raad die alle dwazen in zulke omstandigheden geven: ik raadde hem aan haar te vergeten.

Wordt vervolgd

dinsdag 1 september 2015

Casanova 8: De school van het leven 8

De school van het leven: blz 192-235

Ik had een vast voorgevoel dat ik die avond al mijn geld zou terugwinnen. Enkele jaren later heb ik mij gewroken door een pamflet te schrijven waarin ik voorgevoelens hekelde. Ik geloof dat de enige voorgevoelens waar een wijs man aandacht aan moet schenken degene zijn die hem onheil aankondigen: deze komen voort uit zijn verstand. Voorgevoelens van komend geluk worden door het hart ingegeven, en het hart is een dwaas wie het past in de Fortuin te geloven, want deze is eveneens dwaas.

Een mens in grote twijfel die door een omstandigheid opeens geen keuze meer hoeft te maken, voelt zich opgelucht, wat de omstandigheid ook mag zijn.

De monnik die vier weken met mij zou doorbrengen, rekende erop op mijn kosten te leven, terwijl hij degene was die de voorzienigheid had gestuurd om mij te onderhouden.

Zie daar hoe kappers een vreemdeling in heel Europa van nut zijn! Men moet hun echter geen vragen stellen, want dan vermengen zij waarheid en leugens en horen u uit in plaats van dat u hen uithoort.

Vijf uur lopen volstaan om een jonge man die niet gewend is te lopen volledig uit te putten, hoe sterk en gezond hij ook mag zijn.

Als ik het goed met de fransiscaan had kunnen vinden, als, als, als- door mijn hoofd gingen al de vervloekte alsen die opkomen bij een man in nood die nadenkt over zijn situatie en nog ongelukkiger wordt als hij goed heeft nagedacht. Daar staat tegenover dat hij leert te leven. Iemand die weigert na te denken, leert nooit iets.

De kinderen sliepen, de oude man hoestte. Omdat ik niet kon ontkomen en het loopse wijf mij verzekerde dat zij weg zou gaan als ik wat inschikkelijker zou zijn, besloot ik dat ik haar beter haar gang kon laten gaan. Ik merkte dat degene die zegt "Als de lamp gedoofd is zijn alle vrouwen gelijk" gelijk heeft, maar zonder liefde is dit grote gebeuren een platvloerse aangelegenheid.

Ik dacht dat ik met het vragen van aalmoezen niet in Mantorano zou kunnen komen, omdat ik door mijn voorkomen geen medelijden wekte. Ik kon alleen de belangstelling wekken van mensen die aannamen dat ik nergens gebrek aan had. Een echte bedelaar heeft daar niets aan.

Wordt vervolgd